Verdwaald

Vanuit 't bejaardenhuis loopt ze haar rondje,
de route door haar verre kindertijd.
Dan spéélt ze daar weer, is 't brutale blondje,
de baas van 't spel, en openlijk benijd.
De oude namen hoeft ze niet te zoeken,
ze weet nog steegjes, achterstraatjes, plein.
Maar elke dag weer aarzelt ze op hoeken
waar toch die ándere stoepen moeten zijn.

Dan dwaalt ze angstig rond, voelt zich verlaten,
buitengesloten, bang voor dichte deur.
Dat beeld groeit uit tot monsterlijke maten.
Soms wordt ze helder, door bekende geur:
een paard, vers brood, de koffiebranderij
en even wéét ze!
Dan is 't weer voorbij.

Ze huilt van binnen als ze verder gaat:
'Ik wandel door een stad die niet bestaat'.

Verschenen bij Meander