Nabeeld

Was het hier altijd zo stil en verlaten
als nagloeiend zonlicht de zuring verbrandt?

          Kijk kind, de nacht komt al op in het westen, 
          bedekt weer zijn bos en ons duister geheim.

Stil!   Hoor ik lachen van hooiende kerels,
de hoed ver naar achter, de schedel kindwit;
hoor ik weer meiden, verhit van het harken,
gierend belachen die vuurrode nek?
Is dat het tinken van hamers op ijzer,
‘t suizen van uitzwaaiend snijden door gras,
is dat het ruisen van vallende waaiers…..

          Ruik jij nu ook hoe bedwelmend dat was?

Wie is die vrouw met gekreukelde rokken,
die zuchtend ‘t hooi van haar kousen plukt?
en hij, ken je hem, kind, de man met die handen,
die zich als een heerser ver over haar bukt?

 '05