Avondlied

De mensen gaan naar huis, het eten wacht.
Ik blijf nog liggen, 't is zo heerlijk buiten,
al koelt het duinzand af tegen mijn huid.

't Strand wordt weer zand, de zee weer water.
Langs vloedlijn slentert man alleen naar later,
keurt onderweg gevonden schelp of schat.

Loom wacht ik op het opgaan van de maan.
't Wordt donker nu, op zee verschijnen lichtjes,
de vissers varen uit voor avondvangst.
Een zeilboot glijdt bewegingloos naar huis.

De kleuren vloeien uit tot donker paars.
Groot rijst de maan uit zee, ik loop naar 't water,
dat voelt als streling, een soort koele lust,

ze lokt en ik gehoorzaam, kom haar nader
en zwem, totdat ik moe, me omdraai op m'n rug.
Met borsten nat van maan drijf ik terug.