Bij een oranje Parker

Hij was oom Ernst.
Dat kwam goed uit, vond ik, hij had geen benen,
wat in zijn schoenen zat, dat zag je niet.
Bij 't ver naar buiten zwaaiend lopen
leunde hij zwaar op deftig zwarte stokken,
zijn vuisten witgeknepen.

Zijn benen werden steeds iets verder afgezet,
totdat het op was.

Hij woonde naast ons, was de baas van het kantoor,
totdat zijn luide lach, zijn fluiten naar de honden,
en weer die bulderende lach verstomden
en nooit meer overwoeien naar ons huis;
toen zijn bewakers Donar, Wolf en Kromo
hun baas niet volgen konden.

Maar eerst nog lijmde hij -onzichtbaar haast-
mijn ingescheurde lip,
genas mijn zweren van het roestig prikkeldraad
en schreef met zijn oranje Parker in m'n poesie-album:
8 augustus is de dag die je nooit vergeten mag.