Overzicht Bergvolk

 
                                                                 Bergvolk 10 - Buurman

We wonen twee dagen in het Jachthuis. Een kleine man van midden zeventig, schat ik,  komt door de deel binnen en gaat in de grote kökkene aan tafel zitten. Of ie thuis is. Het eerste wat hij zegt: 'Ik heb miene vrouwe gisteren weg-e-brach'. Ik wacht af of er nog meer komt, maar hij kijkt me alleen maar heel treurig aan. 'Weg-e-brach', vraag ik, 'waarheen?'
Hij krijgt tranen in de ogen en zegt: 'Naor 't karkhof'. En toen vertelde hij dat hij daar en daar woonde, geen naober was, maar het Jachthuis heel goed kende, want zijn vrouw kwam er vandaan.
Bij een kop koffie blijkt dat hij een beetje in de war is, hij ziet me voor de vorige bewoonster aan, begrijpt niet dat ik 't allemaal niet weet wat hij vertelt. Als hij weg gaat, ben ik een goed mense, volgens hem.
We kennen niks van naobergewoonten, vinden dat we met iedereen die we aardig vinden om kunnen gaan en dat we mensen die ons niet zo liggen niet als vriend hoeven te hebben met verplichte visites en alles wat er bijhoort.
We waren juist om de eeuwige controle van de buurt waar we woonden, weggegaan naar een vrijstaand boerenhuis en hadden helemaal geen zin om weer in een keurslijf te zitten. We maakten geen 'buurt'. Bijna iedereen was heel vriendelijk tegen ons, maar eigen werden we niet.

Twee jaar na dit voorval stond er een advertentie in de krant. Onze oude buur werd dan en dan samen met zijn paard 100 jaar, 80 en 20. Receptie van 7 tot 10 's avonds, u bent van harte uitgenodigd.
Als hij buiten bij zijn huis bezig was, hadden we wel eens een praatje gemaakt, we vonden het leuk om hem te gaan feliciteren.
Met een fles oude klare gingen we er om een uur of 8 heen. Het was stampvol in de zaal, de stemming zat er goed in, het leek meer op een bruiloft dan op een verjaardagsreceptie. De jarige was blij verrast, herkende ons zowaar en vroeg waarom we zo laat waren, het was al om 7 uur begonnen!
We schoven aan tafel bij buurtgenoten die een beetje inschikten en probeerden niet op de blikken en het gesmoes te letten vanaf andere tafels. Jachman en ik voelden ons niet echt op ons gemak, wat deden we verkeerd?

Op een koude winteravond een jaar later, het sneeuwde behoorlijk, hoorden we gestommel in de keuken.  Even later ging de kamerdeur open en kwam onze oude buur binnen. Blote voeten in de klompen, zonder jas, zo te zien doodziek. We zetten hem in een stoel bij het vuur, haalden een deken om hem daar in te wikkelen, trokken hem dikke sokken aan en belden zijn dochter, die dichtbij woonde. 
Hij zat te klappertanden, maar praatte toch de hele tijd, had het over mensen die we niet kenden maar die hier woonden. Hij was in gedachten wel twee generaties terug in de tijd. Noemde mij Anna, vroeg waarom zijn vrouw er niet was, die was al een poos niet thuis geweest, ze ging altijd maar weg; het was vreselijk triest om hem zo mee te maken.

Zijn dochter kwam met haar man met de auto, ze schrokken vreselijk van de toestand van hun vader en namen hem mee naar hun huis. Heel snel daarna is hij overleden. 

(Als ik dit verhaal nog eens voorlees aan Jachman, zegt die dat ik nog wat vergeten ben te vertellen. Die avond dat hij ontredderd hier binnenkwam, vroeg hij na een poosje of ik even wilde kijken of er licht brandde bij Beernink. Ik ging naar de buitendeur en zag dat het brandde. Toen ik dat tegen de buurman vertelde, zei hij: "Gelukkig, dan leeft Willem nog.")