HOME   

Naar Overzicht Schrijven

 

                                                              
                                                     Schrijven 18   
Pension Westerbork

Ze zag er tegenop. Weer een vreemde man. Toen mevrouw De Jong s middags tijdens het opdienen van het lunchschoteltje verteld had, dat er s avonds bij het diner een nieuwe gast zou zijn, een oudere heer, die hier vroeger in de buurt gewoond had, was ze geschrokken. De hele middag was ze een beetje nerveus geweest. Sinds toen hd ze dat, als ze wist dat er een man dicht in de buurt kwam, die ze niet negeren kon. Met vijf mensen aan tafel, ja, nu zes dan, was net doen of je iemand niet zag, onmogelijk.
Toen de gong klonk, ging ze naar de eetkamer, zocht haar plaats aan tafel op, keek toe hoe mevrouw redderde bij de dientafel, begroette de drie andere logs die ook op hun vaste plaats gingen zitten en wachtte onrustig op de zesde persoon.

Toen hij binnenkwam, zich met een Engels accent voorstelde als John Bloom, was ze een beetje gerustgesteld. Het leek een heer. Lang was hij, een beetje gebogen in de schouders, met glanzend spierwit haar boven donkere ogen die haar vriendelijk rustig aanzagen toen ze haar naam noemde, mevrouw Otter. Niet juffrouw Otter. Dat ze niet getrouwd en ook nooit getrouwd geweest was, ging hem niets aan.
Toen hij tijdens de maaltijd vertelde, dat hij een pension in Westerbork had uitgekozen, omdat hij hier als kind op school had gezeten en de oude plekjes nog eens op wou zoeken, voelde ze haast een klein beetje sympathie voor hem, want om dezelfde reden zou je bijna kunnen zeggen, was zij ook hier naartoe gegaan.

Na het diner dronken ze hun koffie op het terras. Het was een zachte juni-avond, de merels zongen onafgebroken, ze pakte haar boek en liep naar de ligstoelen op het gazon. Ze kon haar aandacht niet bij het verhaal over New Foundland houden, ook al hield ze erg van Annie Proulx.

Ze sloot haar ogen en dacht als vanzelf weer aan net zon avond als deze in 1943. Een kind was ze toen nog geweest, bijna 13 jaar. Ze had met een paar kinderen verstoppertje gespeeld tussen de barakken. Op de nok van hun barak zat jubelend een merel te fluiten, ze was er door getroffen: die vogel was toch maar gelukkig, hij kon zo maar wegvliegen uit het kamp. Als zij dat zou kunnen, zou ze ook de hele dag zingen ze merkte niet dat er een jongetje, dat ze niet kende, bij haar verstopplekje was gekomen. Hij was zeker twee jaar jonger dan zij, en een hoofd kleiner en hij vroeg zachtjes, of hij zich daar ook mocht verstoppen.

-Hoe heet je, had ze gevraagd, en waar woon je? 
Johan, en we wonen in Amsterdam en jij?
-Naatje, maar eigenlijk heet ik Naomi hoor, Naatje vind ik afschuwelijk, dus noem me als je blieft niet zo. ik kom uit de Achterhoek.

In de dagen daarna zocht hij haar steeds op als het kampschooltje uitging. Ze konden goed met elkaar praten ondanks het leeftijdsverschil. Hij was nog geen elf jaar. Hij had geen vader, nooit gehad ook, en zijn moeder was tot het laatst op de Joodse school onderwijzeres geweest. Toen dat niet meer mocht van de duitsers had ze hem thuis lesgegeven, hij kende zelfs al wat Engels, al mocht hij dat nooit laten merken. Na de oorlog zouden zijn moeder en hij naar Amerika gaan, daar waren geen duitsers en daar kon hij gewoon naar de HBS.

Ze had een beetje tegen hem opgezien, HBS, zij zou blij zijn als ze naar de ULO mocht, en ze vond leren juist zo fijn!

Op een avond, misschien twee weken later, deed hij heel geheimzinnig toen hij haar zag, lachte een beetje, hield beide handen achter zijn rug en vroeg: wat heb ik in mijn hand? Ze wist het, een merelveertje. N, nog eens raden. Een blokje hout als hinkelblok. Weer mis. Je raadt het nooit! zei hij opgewonden, kijk eens! voor jou, en als ik in Amerika ben, moet je aan me denken als je het draagt. Zie je dat het dezelfde kleur blauw heeft als je haarlint? Dat vind ik je zo mooi staan, je ddddonkere haar en dat hemelsbbbbbbblauwe lint. Hij werd heel verlegen, kleurde en legde een zilveren ringetje met een doorzichtig blauwe steen in haar hand.

O, wat prachtig! is dat voor mij? Van wie is ie?

Van niemand meer, ik heb hem gevonden. Er zat een tegel los, ik wou proberen er een stukje af te slaan om mee te tekenen, en toen ik hem iets optilde, zag ik dit ringetje, wil je het niet hebben?

 O, ja, graag, het is prachtig!  Ik zal het heel goed bewaren en er erg zuinig op zijn. Als je dan eens terugkomt uit Amerika, zul je zien dat ik hem nog heb. Ik zal vaak aan je denken.

Ze schrok op uit die verre wereld, toen meneer Bloom zachtjes vroeg of de stoel naast haar vrij was en of ze geen bezwaar had, dat hij daar ging zitten. Ze geneerde zich een beetje, het had natuurlijk geleken of ze sliep. Ze was stijf geworden en wou eigenlijk wel even de benen strekken, maar om nu gelijk weg te lopen was ook zo gek. Het was net of hij het begreep, Hij zei: Ik loop graag even een ommetje na het eten, ik weet niet of u zin heeft om samen een stukje de laan hierachter in te lopen, het is zon prachtige avond!
Ze begreep zichzelf niet toen ze zei: Ik houd ook zo van deze lange lichte avonden als de merels fluiten, ik wil graag even een eindje lopen.

Het wandelingetje beviel beiden goed, het weer bleef mooi en de volgende dagen waren ze vaak in elkaars gezelschap, liepen steeds een eindje verder, ontdekten  nieuwe bospaden, kwamen een keer bij een picknickplek, rustten daar een poosje uit en de volgende dag, toen ze weer gingen wandelen, had hij een kleine rugzak om. Hij lachte een beetje geheimzinnig, verschikte iets op zijn rug en zei: U zult nog opkijken.
Bij de bank haalde hij uit de rugzak een kussen, een kleedje, een thermosfles met thee, kopjes, een reep chocola en een plastic doos met kersen. Goed afgewassen! lachte hij.  

Ze wilde bij al die gezellige vriendelijkheid niet achterblijven en stelde voor om elkaar maar te tutoyeren. Ik heet Naomi, zei ze, en u,   eh  jij heet John, h? Hij vond dat ze een mooie naam had, Joods?   Ja, zei ze, Jodin.     Haar stemming sloeg gelijk om.

 Die bewaker had gezegd, terwijl hij haar in Auschwitz uit de rij voor de douches sleurde: Komm mal her du, wie heisst du? En toen ze halfhuilend gezegd had, Naomi, had hij gelachen en geroepen: Name! du hast keinen Namen gel, du hast wirklich keinen Namen.
Hij had haar aan de arm heen en weer geschud en gesnauwd; Na gut, in meinem Hause brauchst du auch keinen Namen!  So ist es auch richtig, du bist ja ein Nichts, Jude!  Ich rufe Schwein und dann kommst du, verstanden!
Ze had haar moeder niet weergezien.

Die dag was ze bij die bewaker als meisje voor alles gekomen. Een jaar volgde waarin ze van onnozel kind een veertienjarige vrouw werd, die alles onderging, maar overeind bleef door de gedachte aan Amerika. Het ringetje, dat ze in de trein onder haar oksel bewaard had, haalde ze later bij de Duitser wel eens stiekem tevoorschijn en dacht aan Johan in die totaal andere wereld. Na een jaar had de bewaker genoeg van haar en stuurde haar door naar Theresienstadt.  Ze overleefde daar door gedwongen de weerzinwekkende dingen te doen, ook toen de Russen als bevrijders kwamen.

John kuchte zacht en ze probeerde weer gewoon te doen.  Hij verdeelde de kersen en terwijl ze aten en de pitten wegspuwden net of ze kinderen waren, kwam de ontspannen sfeer weer terug. John vroeg niets, maar vertelde waarom hij naar Westerbork gekomen was.
Weet je Naomi, in 1942 zat ik in kamp Westerbork met mijn moeder. Ik was 11 jaar ongeveer en zou van mijn moeder gescheiden worden. Een bewaker smokkelde mij uit het kamp omdat ik op zijn overleden zoontje leek en hij vond dat ik moest leven. Op een van die laatste avonden in het kamp gaf ik aan een vriendinnetje dat ook Naomi heette, en waar ik heel goed mee op kon schieten, een ringetje wat is er met je!? Voel je je niet goed? Waarom huil je nou?
  IK, ik ben die Naomi!! kijk maar. en ze trok de zilveren halsketting boven haar vest uit. Tussen haar vingers trilde de ring.

Ze zaten een tijdje heel stil naar elkaar te kijken, tot de kindergezichten uit hun geheugen zich oplosten in de rimpels van nu.  Over de picknicktafel heen vonden hun handen elkaar. Toen ze weer konden praten, bleek dat ze geen van beiden  kamp Westerbork hadden durven bezoeken, maar nu zouden ze er samen heen gaan.
John bleek in Amerika te wonen, en weduwnaar te zijn.

Toen ze de volgende dag bij de picknickplaats kwamen, pakte John een dikke blauwe vilstift uit zijn rugzak en tekende rond de eik die daar stond een hemelsblauwe streep. Weet je wat dat is? Hij gaf zelf het antwoord: Dit is watervaste inkt en deze streep is jouw blauwe haarlint. Ik kan niet zo goed tekenen, maar dit hier hij tekende een kruis op het lint- is de blauwe steen in de ring en dit, Naomi Otter, zijn jouw initialen hij tekende ingespannen een N en een beetje klein uitgevallen o op de geribbelde schors. Lachend keek hij over z'n schouder naar haar:
Deze eik is getuige van onze hernieuwde kennismaking en misschien van een nieuw begin, Naomi.

Schrijfopdracht Tekens op een boom