naar overzicht Schrijven

 


Schrijven 23 De olde roope

Zondag 19 november 2006. Over 2 weken, op 3 december, de eerste adventszondag, klinkt weer 'de olde roope' als de schemering over de weilanden en bosranden kruipt. Bij de buren begint het midwinterhoornblazen. De melancholieke klank van de op de grond rustende lange hoorn trilt eerst een beetje onzeker en hees, maar klinkt al snel strakker en luider met glijdende tonen op verschillende hoogte. Ik ga naar buiten en hoor dan van een kilometer verderop het antwoord van een andere hoorn, een andere toon, een andere simpele melodie.
Daar wordt boven een put geblazen, het geluid draagt nog verder. Nu wordt er om de beurt geblazen, vraag en antwoord, - en net als elk jaar lopen de rillingen over mijn rug.

Ik denk aan de tijden, lang voor het christendom tot deze streken doordrong, waarin dit bewijs van de aanwezigheid van andere bewoners, die ook verlangden naar de terugkeer van het licht, het gevoel van eenzaamheid en angst voor het donker een ogenblik kon doen vergeten. 

Hoewel het midwinterhoornblazen folklore geworden is, voel ik me toch op zo'n moment diep verbonden met de oude bewoners van de Achterhoek, waar ik van afstam.

Ook op andere momenten voel ik me vooral sterk verbonden met deze grond, dit landschap.
Zondagmorgen in het voorjaar. Het is nog vroeg en heel stil. Laag aan de beekoever op mijn bankje zittend onderga ik de lente. het water stroomt vlak voor me over de witte zandribbels op de bodem. De zon staat in het verlengde van de beek en tovert lichtvlekken op de zachte jonge bladeren van de beuken en op alles wat groeit langs de oever.

In de steile overkant zitten zo'n vier meter van elkaar een paar holletjes boven een doorlopend smal terrasje. Voorzichtig komt een hermelijntje naar buiten kijken, ziet in mij kennelijk geen gevaar en loopt golvend over zijn richeltje richting ander holletje, zekert een halve minuut en glipt dan naar binnen.
Een dikke hommel schommelt zoekend en lawaaiig in de pol sleutelbloemen een eindje verderop. Langs de stam van de acacia loopt de boomklever naar beneden, zijn ontbijt bij elkaar peuterend, nee toch niet, het is een lekker hapje voor mevrouw die rustig wacht tot hij terug is.
Ik zit kennelijk op de troon van de winterkoning, want die begint me zeer onkoninklijk uit te schelden, steeds dichterbij komend.

Op mijn plek hier onderaan de beekoever zie ik behalve het beukenbos aan de overkant weinig van de omgeving. Geen lichtglooiend akker- en weideland, geen smalle mulle fietspaden, geen oude boerderijen met spitse houten topgevels geverfd in ossenbloedkleur, geen vennen, geen watermolens, maar ik voel de aanwezigheid ervan als een vertrouwde arm om mijn schouder. Wat hou ik van mijn boerenland in lente, zomer, herfst en winter.
En al staat er ook een schotelantenne bij elke boerderij en ontsieren de grote loopstallen en de 'kamperen-bijdeboer-caravans' het idyllische beeld, toch voel ik me nergens zo thuis en vertrouwd als hier, in het achterste hoekje van de Achterhoek.  


schrijfopdracht Je plek, je stek