naar overzicht Reizen

 


In deze reisverslagen zal ik wel in grote lijnen de route beschrijven, maar het gaat me vooral om de opvallende ontmoetingen en belevenissen, het bijzondere en onbekende, niet zozeer de mooie uitzichten of het weer. Alleen de allereerste reis die we maakten gaat een iets uitgebreider verslag worden.

Op de motor naar Frankrijk in 1956

We waren anderhalf jaar getrouwd en maakten onze eerste buitenlandse reis samen. Waar die heen zou gaan, was geen vraag: natuurlijk naar Frankrijk. Onze kleine dochter ging logeren bij mijn behulpzame tante Cor, die gek op kinderen was. Twee hele weken samen weg na een paar emotionele jaren, geweldig was dat.
Jachman had een motor gekocht, we huurden een tent, een loodzwaar gevaarte dat ergens op het voorwiel gebonden werd, pakten een koffer achterop, en reisden af vanuit Groenlo. We hadden de eerste lekke band bij Nijmegen. Jachman sjouwde in zijn dikke leren jas met de loodzware koffer en ik duwde de lekke motor naar een benzinestation 1 km terug. Daar werd de band geplakt.
We kwamen die dag nog tot Maubeuge en kampeerden op een open plek in een griezelig bos bij een oude spoorwagon. Het is vreemd te bedenken dat er toen nog nauwelijks campings waren.

De tweede dag kwamen we tot Parijs. Van ver zagen we al de EIFFELTOREN! Het symbool van Parijs. We logeerden in een piepklein hotelletje in een zijstraat van een zijstraat van de Boulevard de Clichy, aten een simpele maaltijd op de boulevard, legden het geld op het schoteltje en liepen weg. Geschreeuw achter ons: Service non compris, monsieur!!! We deden of we er niks van begrepen. Tot laat in de avond sjouwden we bezienswaardigheden af, gingen met de Metro, bekeken de Moulin Rouge alleen van buiten wegens gebrek aan francs en genoten, wij waren in FRANKRIJK!

Dag drie reden we tot Nevers. We sliepen achter de heg naast de weg, zo op de grond zonder de tent op te zetten. Er was toch bijna geen verkeer. Wel waren er stropers, want we hoorden schoten bij het bos verderop.

De vierde dag werd in mijn herinnering de route van de slingerweg langs de Allier. Schitterende rivier. Bomen vol kersen zomaar langs de weg. Dankzij Napoleon. Indrukwekkende  spoorbrug van Eiffel over de Truyere bij St. Flour, het Viaduc du Garabit. Bij Aumont konden we op een camping onze tent opzetten. Een weitje met een wc in een minihuisje van hout, water kwam uit de pomp. Een oude vrouw bracht een paar velletjes wc-papier toen ze het kampeergeld kwam innen. We waren de enige gasten.

Dag vijf verbrandde Jachman zijn handen omdat hij wegens de hitte zijn handschoenen uitgedaan had. Het was bloedheet op de hoogvlakte bij Marvejols.  De namen Lodève, Pezenas en Beziers werden in de jaren erna heel vertrouwd voor ons, we kwamen er nog vaak doorheen. Deze dag eindigde in Narbonne. We zetten de tent neer op camping municipal Saint-Salvayre, gingen nog even kijken in Gruissan, verbaasden ons over de paalwoningen van de vissers op het strand, maar omdat we weggekeken werden, gingen we maar terug naar Narbonne. We waren de hele volgende dag aan het strand, zwommen heerlijk, bekeken 's avonds de schitterend verlichte stad.

De zevende dag reden we zo dicht mogelijk langs de kust via Agde, Montpellier, Arles naar Marseille. Camping bij de jeugdherberg.  Daar bleven we een paar dagen en bezochten o.a. de hooggelegen Basilique Notre Dame de la Garde. Ver uitzicht over zee en de omgeving. Langzaam de slingerende rotsweg gereden, telkens stoppend voor het uitzicht. 's Avonds naar de Promenade de la Corniche en met de boot naar het Chateau d'If gevaren. Zeer romantisch. Een tocht gemaakt naar Toulon. Een tijd gerust op het keienstrand van Cassis. Mijn voetzolen verbrand op de gloeiende stenen. Gezwommen in La Ciotat. Terug naar Marseille, daar iets gegeten en naar de bioscoop geweest.
motor,  tent en zelfgenaaide bikini      jachman krijgt het warm onder zijn nieuwe helm

Dag tien. We verkasten naar La Ciotat, camping St. Jean. Zwommen daar en gingen 's avonds eten in La Ciotat, met gierzwaluwen die boven het restaurant cirkelden. Ook de volgende dag bleven we daar. Zagen we voor het eerst de bosbranden in dit gebied.

Op de twaalfde dag moesten we weer richting huis. We volgden de Rhone en kwamen tot vlak voor Montélimar. Motorpech. Het lager van de achteras was stuk gelopen. Monteur Giroudon zette er een nieuw lager in.
De volgende dag herinner ik me als zadelpijndag. Een eindeloos lange saaie weg, de autoroute was er nog niet, tot Fleurville ten noorden van Macon. We sliepen weer zonder tent een eindje van de weg onder de bomen. Stemmen in het donker dichtbij. Er zijn in Frankrijk veel mensen op de been in het holst van de nacht.

De veertiende dag ging de motorkleding weer aan en reden we tot Thionville. We sliepen in een bokserscafé. Sombere stad, kolenmijnen. Armoe.

Dag vijftien, de laatste dag van onze vakantie, regent het de hele dag. In een steile bocht in de Eifel gaan we onderuit, schuiven de berm in. Alleen de leren jassen zijn beschadigd, de motor heeft niets en wij ook niet, in die volgorde. Doornat en koud komen we 's avonds om 12 uur thuis. Vreemd eind van een vakantie die ons definitief verliefd heeft gemaakt op Frankrijk.

volgende